Er bestaan verschillende soorten oogafwijkingen, die behandeld kunnen worden door het gebruik van een ooglaser en oogcorrectie behandeling. Zo bestaat er bijziendheid, oudziendheid, staar en verziendheid. Op deze pagina vindt u meer info over deze oogaandoeningen.
Bijziendheid, een oogafwijking waardoor een persoon voorwerpen van ver niet scherp meer kan zien. Deze oogafwijking kan gecompenseerd worden door een bril of contactlenzen met een concave (negatieve) lens. Omdat deze oogafwijking op zichzelf niet onveranderd blijft, vindt een correctie niet plaats. Het hoornvlies is ook corrigeerbaar door een laserbehandeling. Aan deze laseroperatie zijn echter risico's verbonden, zo is het nog steeds niet helemaal duidelijk wat het effect van een ooglaser behandeling op lange termijn is.
Myopie is een brekingsfout in het optische systeem van een oog, en geen ziekte. Het beeld wordt dus wel scherp geprojecteerd, maar vóór het netvlies. Hierdoor klopt het beeld dat op het netvlies wordt geprojecteerd niet meer. Bijziendheid ontwikkelt zich meestal vanaf 8 à 12 jaar, en naarmate het oog groeit wordt dit geleidelijk erger. Eenmaal de persoon de volwassen leeftijd bereikt heeft, blijft deze onscherpte meestal constant. Overigens zal bijziendheid binnen een bepaalde grens blijven liggen, slechts zéér zelden wordt myopie zo zwaar dat men zonder een correctie bijna blind is.
Bijziendheid blijkt wat de oorzaak betreft meestal erfelijk te zijn. Het oog is dan lichtjes platter (neemt de vorm van een ellips aan) dan bij een normaal oog. Echter heeft onderzoek bij nog niet westerse samenlevingen duidelijk gemaakt dat erfelijkheid een veel minder grote rol speelt bij bijziendheid dan aanvankelijk gedacht werd.
Ook is het nog niet duidelijk als er een verband bestaat tussen veel lezen tijdens de jeugd, en het onstaan van bijziendheid.
Oudziendheid is een oogaandoening met als gevolg dat men slecht ziet van dichtbij.
De afname van de elasticiteit van de ooglens is de oorzaak van presbyopie (oudziendheid). Deze aftakeling start al vanaf een jonge leeftijd. Kinderen die met hun neus bijna op de tekst zitten, kunnen toch nog goed lezen. Naarmate men ouder wordt, zal men de tekst steeds een beetje verder moeten weg houden, om deze nog scherp te kunnen lezen. Dit wordt in de praktijk pas opgemerkt nadat men de leeftijd van 40 jaar heeft bereikt. Dan moet je tekst al verder dan de normale leesafstand van 30 centimeter beginnen houden. Omdat tekst op een grotere afstand ook kleiner wordt, ervaart men dit als hinderlijk.
Rond de 50 à 55 jaar kan de ooglens zich helemaal niet meer aanpassen. Meestal is er een bril met positieve lenzen nodig om de ogen vanaf 45 jaar te corrigeren: de leesbril. Eerst volstaat een bril met een relatief zwakte (1 dioptrie), maar op lange termijn is 2,5 tot 3 dioptrie geen overbodige luxe. Bij mensen die al een bril dragen, komt deze positieve correctie bovenop de correctie voor het vertezien.
Tegenwoordig verloopt de sterkte bij brilglazen geleidelijk van boven naar beneden, waar men vroeger voor het leesgedeelte een bril met een apart zichtbaar venstertje onderin het brilglas gebruikte. Bij deze verbetering, de zogenaamde multifocale brilglazen, is vooral de merknaam Varilux een algemeen begrip geworden.
Bijziende mensen hebben minder snel een leesbril nodig dan verzienden of mensen zonder een oogafwijking, omdat hun vertepunt dichterbij ligt.
Iets wat vele mensen op hoge leeftijd treft, is de uiteindelijk tot blindheid leidende ziekte "grijze staar". De ooglens wordt hierdoor langzaam wazig, waardoor licht er onvoldoende doorheen kan vallen.
Gelukkig is deze aandoening tegenwoordig vrijwel altijd goed behandelbaar: de lens die ondoorzichtig is geworden wordt verwijderd, en vervangen door een kunstlens. Deze ingreep vindt meestal plaats onder een plaatselijke verdoving bij de oogarts, en heeft een lage kans op complicaties.
Wel kan men hierna de ooglens niet meer focussen zodat voor dichtbij en vertezicht verschillende brillen nodig zijn. Maar was bij de meeste personen met staar voordien toch al het geval.
Bij verziendheid (hypermetropia of hypermetropie) kan men nabije voorwerpen niet scherp zien.
Verziendheid wordt door een te korte oogkas of een te geringe brekinskracht van de ooglens veroorzaakt, waarbij het beeld "achter het netvlies" wordt gevormd. Veraf gelegen voorwerpen kunnen wel scherp op het netvlies weergegeven worden, maar dan moet de ooglens zich accommoderen (aanpassen), wat vermoeiend werkt en hoofdpijn kan geven.
Een bril met positieve (convexe) lenzen kan verziendheid corrigeren.